Naast de Zeeuwse kangoeroes staat een onweerstaanbare roman

1 dag geleden 2

De kleine kangoeroes op Schouwen-Duiveland kijken de wintergast verwonderd aan: wat doet die mensachtige hier nu, midden in de winter, net buiten hun afrastering? Uit een van de buidels steekt een roze hoofdje. De mensachtige aan het hek is niet voor de wallaby’s (opzoeken hoe de kleine kangoeroes heten kan hij wel) naar het zonloze Zonnemaire gekomen, maar voor de oude Telfort-telefooncel die bij de ingang van de camping staat, volgestouwd met zoveel boeken dat je er een paar winters mee door kan komen.

En dan staat er ook nog een gesigneerd exemplaar in, van Laurent Binets De zevende functie van taal uit 2016 – de door Liesbeth van Nes vertaalde roman was de opvolger van Binets tamelijk briljante bestseller HhhH (Hitlers hersens heten Heydrich). De zevende functie van taal begint met de beschrijving van een rechttoe-rechtaan verkeersongeval in Parijs op 25 februari 1980: een man is in gedachten verzonken bij het oversteken, ziet een busje over het hoofd („Ik had geen tijd om te rrremmen!”), wordt aangereden, sterft later in het ziekenhuis.

Foto Arjen Fortuin

Maar ja, de afleidende gedachten waren van hoge kwaliteit: de man blijkt de vermaarde literatuurwetenschapper Roland Barthes te zijn, die bovendien juist terugkeert van een lunch met presidentskandidaat François Mitterrand. Dus wordt er een heuse commissaris op de zaak gezet. Binet – een schrijver die altijd wel in is voor een geintje – heeft hem de naam Jacques Bayard gegeven, waardoor hij zijn achternaam deelt met de auteur van de bestseller Hoe te spreken over boeken die je niet hebt gelezen. Uiteraard heeft deze Bayard nooit iets gelezen van Barthes. Wanneer zijn onderzoek hem een collegezaal van Barthes’ collega Michel Foucault binnenleidt, is zijn ontzetting groot: „Verdient die vent meer dan hij?”

De commissaris „snapt dat hij niets van dit gelul snapt” en zoekt dus iemand die de geheimtaal van de semiotiek voor hem kan ontsluiten en vindt die in de jonge wetenschapper Simon Herzog. Samen gaan ze op pad om de moord op Barthes (want dat is het echt!) te onderzoeken. Dat maakt De zevende functie van taal tot een thriller, zoals het ook een boek is waarin een enorme hoeveelheid kennis over Barthes en zijn werk schuilt.

Dat is mooi meegenomen, maar het is niet wat dit boek onweerstaanbaar maakt. Die komt voort uit de ontembare vrolijkheid waarmee Binet zijn verhaal opdient. Soms gebeurt dat door kleine aardigheidjes, bijvoorbeeld wanneer Bayard op bezoek is bij filosoof Gilles Deleuze. Daar vermengt het filosofische gesprek („Hola! De waarheid… Waar ze begint, waar ze eindigt…”) zich met de banale waarheid van een tenniswedstrijd waar de filosoof naar kijkt. „Connors wint de eerste set met 6-2.”

Zo wervelt Binet door zijn verhaal, van doldwaze achtervolging naar een plotseling onderhoud met de president van de republiek. Geweldig zijn de scènes in de hoogste intellectuele kringen, op feesten waar de grote denkers van hun tijd zich verliezen in drank, drugs, gigolo’s en soms daadwerkelijk een filosofische uiteenzetting. Dan zit Jean-Paul Sartre weer in de hoek van een café te hoesten, terwijl Françoise Sagan hem op de rug klopt en de opgaven van een kruiswoordpuzzel voorleest. Of er begint ineens een man te schreeuwen: „Spinoza fuckt Hegel! Spinoza fuckt Hegel! Weg met de dialectiek!”. Intussen rijden er onophoudelijk twee mannen in een Citroën DS door het beeld, die doen denken aan de legendarische Jansen en Janssen uit de Kuifje-reeks, maar dan gewapend met giftige paraplu’s. Eigenlijk is het enige dat nog ontbreekt aan deze alles-in-een-ideeënroman een kleine kangoeroe.

De journalistieke principes van NRC
Lees het hele artikel