Een minderheidsregering staat of valt met samenwerking. Dat is wat je in de Deense politiek ziet, vertelt Rune Stubager (50). De hoogleraar politieke wetenschappen aan de universiteit van Aarhus vindt het geestig dat in Nederland veel vragen worden gesteld over de voor- en nadelen van een minderheidsregering. „Wij weten eigenlijk niet beter”, aldus Stubager. Vanaf de jaren twintig van de vorige eeuw hebben de Denen slechts drie méérderheidskabinetten gehad – inclusief het huidige.
Dat ze werken, komt volgens Stubager omdat in het Deense parlement wordt gewerkt met twee blokken: rood en blauw – oftewel, een linkse en een rechtse alliantie. Een regering kan daarbij in principe rekenen op steun van oppositiepartijen binnen het eigen blok. Van oudsher zijn de sociaal-democraten (Socialdemokraterne) en het centrumrechtse Venstre de grootste partijen. „Meestal vormen enkele van de middenpartijen een regering die wordt getolereerd of gesteund door de andere, meer ‘extreme’ partijen in dat blok. Je kan ook een regering vormen met kleinere partijen en dan voor onderdelen op zoek gaan naar een meerderheid.”
Het voordeel van een minderheidskabinet is dat je niet een grote hoeveelheid partijen op één lijn hoeft te hebben . Het leidt tot een soort berekenende politiek, , aldus Stubager. De regering kan blijven zolang een meerderheid van de volksvertegenwoordigers haar niet naar huis stuurt: „, legt Stubager uit. Alleen bij een motie van wantrouwen moet die aftreden.
Een minister kan ook een motie van wantrouwen krijgen, maar dat is de laatste veertig jaar niet gebeurd. Die stapt volgens Stubager bij wanbeleid op vóórdat het tot zo’n motie komt.
Lees ook
Pleidooi voor een minderheidskabinet – maar kán dat wel in Nederland?
Puinhoop
Een minderheidsregering gaat dus bijna altijd goed, vooral omdat het systeem is gebaseerd op compromissen. Elke vier jaar worden er verkiezingen gehouden. Tussentijds kan een premier wel nieuwe verkiezingen laten uitschrijven, maar dat moet dan binnen een maand geregeld zijn. Het is ook de beste manier om extremistische partijen uit de regering te houden. „Ze hebben wel veel macht, zeker binnen het blok, maar het gaat om de balans in hoeverre ze een regering tolereren. Als ze een regering laten vallen, kan het zijn dat bij volgende verkiezingen het andere blok de overhand krijgt.”
Alleen in de jaren zeventig was het een puinhoop, vertelt Stubager. Door de oliecrisis ging het economisch slecht, en er was geen meerderheid voor belangrijke beslissingen. Ook kwam toen de rechts-populistische Fremskridtspartiet op, die in 1973 zelfs de tweede partij van het land werd. „Daardoor ontstond de situatie die tot op zekere hoogte lijkt op wat je in andere Europese landen hebt gezien: geen van de partijen voelde zich comfortabel bij Fremskridtspartiet, omdat de partij onbetrouwbaar was en niemand precies wist wat ze van plan waren. Dat leidde tot een instabiele situatie en veel kabinetswisselingen.”
In de jaren tachtig, negentig en begin deze eeuw waren de minderheidsregeringen juist stabiel. De conservatieve premier Poul Schlüter (1982-19930), de sociaaldemocraat Poul Oluf Nyrup Rasmussen (1993-2001) en daarna weer de conservatief Anders Fogh-Braschmusen (2001-2009) worden allemaal als succesvolle premiers gezien, aldus Stubager. De laatste premier en huidig minister van Buitenlandse Zaken, Lars Løkke Rasmussen (die er van 2009 tot 2011 zat en van 2015 tot 2019) zag als een wurggreep. „Met zijn vorige minderheidsregering van 2015 tot 2019 waren er constant ruzies tussen waardoor zijn mogelijkheden als premier flink werden beperkt. Hij benadrukte juist dat ze het in het midden over zoveel eens waren en wilde de handen ineenslaan.”
Dat resulteerde in de regering die er nu zit, een coalitie van . Toch is dat niet waar de Deense kiezer op zit te wachten, grijnst Stubager. „Kiezers zijn voorstander van samenwerking en veel kiezers vinden het idee van deze centrumregering wel aantrekkelijk. Ze zijn alleen niet blij met wat eruit voortkomt en vinden dat er te veel concessies worden gedaan.”
Hij is er dan ook van overtuigd dat de huidige premier Mette Frederiksen de verkiezingen dit jaar flink gaat verliezen. „De meerderheid is klein, en ze zijn impopulair. Waarschijnlijk komt er dus weer een regering die een fundament heeft in een van de twee traditionele blokken. Dus ofwel een links blok, ofwel een rechts blok.”
Extremisten buiten de regering houden
Het voordeel van minderheidsregeringen is vooral dat extremisten zo niet in de regering komen, omdat een op blokken gebaseerde politiek afhankelijk is van compromissen. „Het is een soort onderhandelingsspel. De gevestigde partijen kunnen tegen de extremisten dreigen met overstappen naar het andere blok. De middenpartijen kunnen onderhandelen met de middenpartijen uit het andere blok wanneer ze het gevoel hebben tot iets extreems gedwongen te worden. Partijen in het midden hebben kortom meer mogelijkheden om overeenkomsten te sluiten dan de partijen aan de uitersten.”
In Nederland wordt het sluiten van compromissen ingewikkelder, omdat het politieke landschap hier gepolariseerder is. „Het hangt er natuurlijk van af of de meer radicale partijen bereid zijn samenwerking tot op zekere hoogte te tolereren. Het kan nog flink ingewikkeld worden voor ze.”
/s3/static.nrc.nl/wp-content/uploads/2026/01/20155500/200126BUI_2029713032_2.jpg)
Rob Jetten (D66) voorafgaand aan een debat over de uitslag van de verkiezingen.
Foto Bart Maat

/s3/static.nrc.nl/wp-content/uploads/2026/01/20154331/200126BUI_2030896941_deze.jpg)
/s3/static.nrc.nl/wp-content/uploads/2026/01/20183425/200126VER_2030963401_Macron.jpg)
/s3/static.nrc.nl/wp-content/uploads/2026/01/20193453/200126DEN_2030852972_Kati-1.jpg)


English (US) ·