Geen tent, geen clownsneus. Circustheater doet alleen in de verte nog denken aan het traditionele circus

1 uur geleden 1

Vergeet de grote tent, de rode clownsneus en de circusdirecteur. Als er één tak van podiumkunsten is die zich in alle richtingen bandeloos aan het vernieuwen is, dan is dat het circustheater. Op het Circusstad Festival in Rotterdam is vanaf 25 april te zien hoe acrobatiek, dans, muziek, beeldende kunst en toneel versmelten tot meeslepende, soms poëtische, soms hilarische voorstellingen, die vaak alleen nog ergens in de verte doen denken aan traditionele circusacts.

Een van de must-sees is het wonderschone Food (8+) , gemaakt door de Oostenrijkse circusartiest Michael Zandl (1989). In een Amsterdams café vertelt Zandl over zijn creatie. Hij kwam op het idee voor Food, vertelt hij, na het zien van de filmklassieker La Grande Bouffe (Marco Ferreri, 1973), waarin vier rijke vrienden zich zo stierlijk vervelen in hun routineuze levens, dat ze besluiten zich dood te eten. Zandl: „Ik kreeg geen hap door mijn keel, alsof ik mezelf tijdens het kijken naar die film met eten had volgepropt. Ik vond het fascinerend hoe visuele input zo’n fysieke uitwerking op je kan hebben.” Hij wist: zijn nieuwe voorstelling moest over eten gaan.

Michael Zandl

Foto Philippe Vogelenzang / De Schaapjesfabriek

Drie van de spelers waarmee hij de voorstelling vervolgens maakte, had Zandl in een vorig project leren kennen: het Zweedse acrobatenduo Karin en Hedvig Brodén en de Duitser Jakob Vöckler. Die laatste is gespecialiseerd in de Chinese mast, een soort acrobatisch paaldansen waarbij de artiest in een hoge dunne paal klimt.

Als vierde speler wilde Zandl een zogenoemde ‘wedstrijdeter’ zien te vinden. Zandl: „In Amerika en Engeland is dat een populair fenomeen: mensen die records vestigen door zo snel mogelijk zo veel mogelijk te eten. Het oorspronkelijke idee was dat deze persoon bij aanvang aan een grote, gedekte eettafel zou plaatsnemen en dat hij de hele voorstelling door zou blijven schransen.”

‘Fidel at graag‘

Een wedstrijdeter vond Zandl niet, maar wel circusartiest Fidel Rott, en dat kwam een beetje op hetzelfde neer: „Fidel hield van ongebruikelijke ideeën. En hij at graag. Als het op de circusopleiding lunchtijd was, werd me verteld, stond de halve tafel vol met Fidels lunch.” Het idee van de eettafel sneuvelde, maar eten zou Rott. Nadat hij is binnengestapt in een decor van smetteloos wit papier, wordt de speler geconfronteerd met uiteenlopende objecten, waarin hij steeds achteloos – en zwijgend – zijn tanden zet. Van een microfoon tot een kruidenplantje, van een witte kool en een lading appels, tot chips en snoep en een ondefinieerbare grijze derrie.

Zandl: „Ter inspiratie keken we een documentaire over hoe de voedingsindustrie mensen ziek maakt. Suiker, bijvoorbeeld, is gif als je er genoeg van tot je neemt. Het is amper een vrije keuze of je jezelf eraan blootstelt, dat is het erge. In Zuid-Amerika is een flesje frisdrank goedkoper dan water. Daar wilde ik naar verwijzen in Food: naar de manier waarop de voedselindustrie zich onze lichamen toe-eigent.”

Mijn ouders hadden niets met theater. Ik wist niet eens wat het was

Ook het werk van filmregisseur David Lynch vormde een inspiratie, vertelt Zandl. „Ik hou van Lynch. Hoe humor en naargeestigheid in zijn films in elkaar grijpen. Hoe hij een op het eerste gezicht normale wereld laat zien, waarin sommige dingen een tikkeltje off zijn. Dat levert een interessante spanning op. Je bent ontvankelijker, meer gefocust, als je een universum krijgt aangereikt waarin de regels een klein beetje zijn veranderd.”

Het was allerminst vanzelfsprekend dat Zandl in de theaterwereld zou belanden. Hij groeide op in een Oostenrijks Alpendorp. „Mijn ouders hadden niets met theater. Ik wist niet eens wat het was.” Jongleren speelde wel al vroeg in zijn leven een rol. „Toen ik een jaar of zes was, kwam mijn oudere broer thuis met een setje kegels. Ik wilde alles kunnen wat hij kon, dus ik begon er ook mee te oefenen. Steeds obsessiever.”

Voorstelling Food door Michael Zandl

Foto Jona Harnischmacher

Samen begonnen de broers jongleerfestivals te bezoeken, waar ze zich al snel thuis voelden tussen de artiesten. Zandls broer schreef zich in voor een circusschool in Madrid, waar hij zich specialiseerde in clownerie. Nadat Zandl in Wenen een studie landbouw en klimaatmanagement had afgerond, verhuisde hij in 2012 naar Rotterdam, waar hij zich op de Codarts circusopleiding specialiseerde als jongleur. Aanvankelijk met kegels, later steeds meer met alledaagse voorwerpen.

Geen hokje

Met bolhoedjes, bijvoorbeeld, in zijn eerste langere solovoorstelling, het Kafkaëske Janus (2019), over een man die ontwaakt in een door een theatertechnicus gecontroleerde wereld. „Acts die alleen maar draaien om virtuositeit was ik steeds oninteressanter gaan vinden. Ik probeerde mijn technische vaardigheden in te zetten om tot beelden te komen die me aan het lachen brachten, of die me ontroerden.”

De internationaal geroemde voorstelling Sawdust Symphony (2021, een samenwerking van Zandl, David Eisele en Kolja Huneck) is dit jaar nog in onder meer Roemenië en Tsjechië te zien. Daarin wordt het toneelbeeld gedomineerd door zaagsel, spijkers, lijm en gereedschap, wat een even poëtische als humoristische ode aan menselijk handwerk opleverde.

Food is Zandls eerste productie als regisseur. Is het circustheater? Performance? Beeldende kunst? Zandl: „Ik wilde een toegankelijke voorstelling maken, begrijpelijk voor iedereen. Niks elitairs. Laatst legde een kind van zeven haar moeder na afloop feilloos uit waar de voorstelling over ging. Maar er is geen hokje waar de voorstelling in past. Dat vind ik leuk. Dat bezoekers erom moeten lachen, en geraakt worden, en huiveren, en dat ze uiteindelijk, als ze de zaal uit komen, wat onthutst tegen elkaar zeggen: ‘Goh… zoiets heb ik nou nog nooit gezien.’”

Lees het hele artikel